Spiegel van den seijlvaert

Zeiltermen

Laat mij van wal steken. De Nederlandse taal was al lang voor de 17e eeuw doorspekt van zeiltermen. Veel hedendaagse 21e eeuwse Nederlanders zijn zich er nauwelijks van bewust hoe vaak ze dagelijks nog jargon gebruiken uit de zeilvaart. Hoewel dat vandaag de dag geen jargon meer genoemd wordt maar aangeduid worden met spreekwoorden, gezegden en zegswijzen.
Had jij gedacht dat ‘schiet eens wat op’ een zeilterm is? En afvallen is niet alleen gewicht verliezen maar bij zeilen betekent het dat het schip van de wind af draait. Val je ver genoeg af dan vaar je uiteindelijk precies met de wind mee. Het gaat je dan ‘voor de wind’. Het tegengestelde van afvallen bij zeilen heet oploeven. De zijkant van een schip waar de wind op staat heet namelijk de loefzijde. De kant van het schip die van de wind af is gericht heet lij of lijzijde. Denk bij lij aan luw. Oploeven doe je dus als je de boot naar de wind toe draait. Als je dat blijft doen vaar je uiteindelijk tegen de wind in en gaan de zeilen flapperen. Ze vangen dan geen wind meer. Het schip ligt ‘in de wind’. Blijf je in de wind sturen dan komt het schip stil te liggen en uiteindelijk zelfs achterwaarts bewegen, deinzen dus. Wanneer een zeil geen wind vangt geeft het geen stuwkracht. Een zeil of deel van een zeil dat geen wind vangt is aan het ‘killen’. Loeft een zeilboot op tot in de wind en draait dan nog verder door dan zal de wind uiteindelijk vanaf de andere kant de zeilen bollen. Zo’n draaimanoeuvre heet ‘overstag’ of ook wel ‘door de wind’ gaan.

De onderdelen van een zeilschip

Nu eerst even wat termen introduceren voor onderdelen van een zeilschip. Het voorste gedeelte van een schip heet de ‘boeg’ of voorsteven. De achterkant heet de spiegel of achtersteven. Soms ook ‘de hek’ genoemd. Een zeilboot heeft altijd minstens één mast en ook één of meer zeilen.

Kabels en touwen

Verder zie je op bijna elk zeilschip veel kabels en touwen. De verzameling van alle touwen en kabels op een schip die met de mast te maken hebben heet ‘het want’. Het woord ‘touw’ is taboe op een zeilschip. Elk touw en elke kabel heeft een specifieke naam. Dit geldt ook voor andere onderdelen. Een katrol heet op een zeilschip een ‘blok’. Verzamelnaam voor alle want dat via blokken kan worden bewogen heet het ‘lopend want’. Want dat vast hoort te zitten heet ‘staand want’. Speciale delen van het staande want hebben nog weer andere namen. Een mast wordt meestal overeind gehouden door ‘stagen’. Het want van de boeg naar de mast heet het voorstag. Dat van de spiegel naar de mast heet het hekstag. Soms hebben boten ook nog een bakstag, een babystag enzovoorts.

Het roer

Schepen worden bestuurd met een roer. Een soort plank die vanaf de achtersteven in het water hangt en kan draaien. Soms kan het roer worden gedraaid via een stuurwiel. Op kleinere zeilboten gaat dat meestal met een ‘helmstok’ die de ‘stuurman’ met zijn hand vasthoudt.

De zeilen

Het belangrijkste zeil heet grootzeil. Dit zeil wordt gehesen langs de mast aan de achterkant. Meestal heeft het grootzeil aan de onderkant een rondhout – tegenwoordig vaak van lichtmetaal – dat ‘giek’ heet. Soms heeft een grootzeil ook aan de bovenkant een ra die ‘gaffel’ of ‘piek’ heet. Veel zeilboten hebben meer dan één zeil. De meeste hebben ook een voorzeil dat gehesen en gestreken wordt langs het voorstag. Dat zeil heet een ‘fok’. Soms hebben zeilschepen een dubbele fok. De kleinere fok heet dan een kluiver. Zeilen worden gehesen met vallen. Zo is heb je een grootzeilval en maar bij een fok een fokkeval. Tijdens het zeilen worden zeilen aangehaald of gevierd door middel van schoten. De schoot van het grootzeil heet grootschoot. De schoten van een fok heet fokkeschoot. Inderdaad, fokken hebben twee schoten omdat die aan weerszijden van de mast naar achteren moeten worden geleid. Daarom hebben fokken een loefschoot en een lijschoot. Oudere zeilschepen, zoals de ‘Halve Maen’ of de ‘Discovery ‘ hebben ook nog voorzeilen die boven in de mast aan een ra overdwars hangen. Zulke zeilen heten bramzeilen.

 De wind

Het moge duidelijk zijn dat een zeilboot niet tegen de wind in kan varen (met uitzondering van de Vliegende Hollander misschien) maar hij kan toch behoorlijk ‘schuin tegen de wind in’ varen. Moderne ‘scherpe’ zeilschepen halen soms wel een hoek van 300. Wanneer de koers een component heeft die tegen de wind in is gericht heet die koers ‘aan de wind’ of ook wel ‘bij de wind’. Bij aandewindse koersen zal de wind de boot vaak van de wind af doen overhellen. De boot helt over naar ‘lij’.

Stuurboord en bakboord

De begrippen links en rechts zijn op een zeilschip niet zo nuttig. Handiger is om te spreken van stuurboord en bakboord. Stuurboord is de rechterkant van het schip als je vanaf de achtersteven in de vaarrichting kijkt. Bakboord is dan de linkerkant van het schip in de vaarrichting gezien. Wanneer loef aan stuurboord is, vaar je ‘over bakboordsboeg’. Omgekeerd vaar je over stuurboord als die kant de lijzijde is. Het schip helt vaak over naar de lijzijde vooral bij hardere wind en bij aandewindse koersen.

Overstag

Als de schipper zo scherp mogelijk aan de wind vaart, vaart hij ‘hoog aan de wind’. Dat is de koers waarbij de zeilen nog net niet gaan killen. De schoten zijn dan zo strak mogelijk aangehaald. Wanneer het doel van een zeiltocht zich tegen de windrichting in bevindt zal de schipper moeten ‘laveren’ of ook wel ‘kruisen’. Dan zal de boot af en toe overstag moeten gaan. De schipper ‘gooit het dan over een andere boeg’ en het netto effect van afwisselend over stuur- en bakboord hoog aan de wind varen is dat de boot voortgang maakt tegen de wind in. Bij het overstag gaan moet eerst de aangehaalde fokkeschoot compleet worden gevierd waardoor de fok gaat killen. Na het door de wind gaan moet dan de nieuwe lijschoot van de fok weer worden aangehaald.

Een zeilboot die op een koers vaart die haaks staat op de windrichting vaart ‘halve wind’. Een koers die tussen ‘halve wind’ en ‘voor de wind’ in ligt heet ‘ruime wind’ of ook wel ‘bakstagswind’. Ook bij ruime wind zeilt een schip over stuurboord of bakboord.

Na een overstagmanoeuvre valt de wind van de andere zijde binnen. Er is nog een alternatieve manier om ervoor te zorgen dat een boot over een andere boeg gaat varen. Wanneer de roerganger de boot zover laat afvallen dat de boot voor de wind vaart en vervolgens nog verder doordraait zal de wind ook van de andere zijde binnenvallen. De boot vaart op dat moment ‘binnen de wind’ en het grootzeil en de giek kunnen dan op elk moment door de wind gegrepen worden en hardhandig naar de nieuwe lijzijde geblazen worden. Zo’n manoeuvre heet gijpen. Meestal wordt de giek via de grootschoot met de hand begeleid om een zogenaamde klapgijp te voorkomen en het niet risico te lopen dat een bemanningslid de overwaaiende giek tegen zijn hoofd aan krijgt. Bij stormachtige wind vermijdt men het liefst een gijp door heel ver op te loeven, overstag te gaan en daarna weer ver af te vallen naar de nieuwe ruime koers. Dat heet dan ‘een stormrondje’.

 Krimpende en ruimende wind

Een zeiler moet ook verstand hebben van meteorologie, in elk geval van het gedrag van de wind. De wind waait niet altijd even hard en ook niet altijd uit dezelfde richting. Wanneer de wind draait tegen de klok in (van bovenaf gezien) heet dat krimpen. Wanneer de wind krimpt wordt het weer meestal slechter, er is dan meestal een depressie (lagedrukgebied) of flinke regenbui in aantocht. Meestal trekt een krimpende wind ook aan. Na een bui of na het passeren van een lagedrukgebied ruimt de wind normaal gesproken. Dan draait de wind dus met de klok mee (van bovenaf gezien) en wordt het weer beter en neemt de windsnelheid ook meestal na verloop van tijd af. De hier beschreven termen en draairichtingen gelden alleen voor het noordelijk halfrond. Op het zuidelijk halfrond is alles precies andersom. Dat wordt veroorzaakt door het draaien van de aarde om haar as.

Comments are closed.